Spyker F1 geeft morgen duidelijkheid over motorenleverancier

[photo1]Morgen wordt duidelijk welke motor in de bolides van Spyker F1 komt te hangen. Dat het Ferrari wordt, daar twijfelt bijna niemand meer aan. In dat geval heeft Cosworth het nakijken.

De vertegenwoordigster van de Vereniging Effecten Bescherming meende afgelopen woensdag duidelijk te horen dat de keuze voor de motoren al is gemaakt. In een betoog over de keuze van de krachtbron, hoorde zij bestuursvoorzitter Victor Muller zijn voorkeur uitspreken voor motorspecialisten in ‘rode pakjes’.

Muller zei er op de aandeelhoudersvergadering meteen bij dat het ook ‘blauwe pakjes’ zouden kunnen zijn, de bedrijfskleur van Cosworth.

Hoe dan ook, zaterdagmorgen – als de beurs gesloten is – maakt Spyker Cars NV in Sjanghai bekend welke motor de komende vier jaar in de bolides van Spyker F1 komt te hangen. Dat het een krachtbron is van Italiaanse makelij, daar twijfelt vrijwel niemand meer aan. Grootaandeelhouder Mubadala Development Company uit Abu Dhabi heeft immers zowel bij Ferrari als bij Spyker een vinger in de pap.

De aandeelhouders van de autofabrikant kregen woensdag te horen dat de ‘huur’ van de motoren tussen de 16 en 20 miljoen dollar bedraagt. ,,De prijs van Cosworth en Ferrari ontloopt elkaar niet veel. Het hangt er alleen van af wat je voor dat bedrag erbij krijgt, zoals technisch personeel en versnellingsbakken,’’ verduidelijkte Muller na afloop.

Met de naam van Ferrari gekoppeld aan die van Spyker valt in commerciële zin oneindig veel meer te doen. De kwaliteit van Ferrari-motoren staat buiten kijf. Maar de kandidaat-sponsoren zullen veel eerder op de oranje bolides willen staan, wanneer daar de toevoeging powered by Ferrari op staat.

Het bedrijfsleven is meer dan geïnteresseerd in de nieuwe Nederlandse renstal, zo werd de aandeelhouders voorgehouden. Leden van de raden van bestuur houden zich er sinds kort mee bezig, aldus Muller. Terwijl dergelijke initiatieven in het verleden ondanks pleidoodooien van marketingmensen juist in bestuurskamer een halt werd toegeroepen.

Blijkens het boekenonderzoek heeft Spyker een schuldenvrije renstal gekocht, mede doordat de vorige eigenaar Alex Shnaider voor 20 miljoen dollar aan openstaande rekeningen had betaald.

De schulden begonnen op te lopen nadat Eddie Jordan in 2004 zijn sponsor Vodafone verloor. Jordan Grand Prix leed in dat jaar 20 miljoen verlies. In 2005 zette teambaas Colin Kolles tesamen met een sanering ook de bouw van een nieuwe raceauto in, de M16. Daardoor werd in die jaargang nog eens 37 miljoen verloren. Dit jaar is het tekort 11 miljoen dollar, een resultaat dat op het bordje komt van het verkopende staalconsortium Midland.

Met een geschoonde begroting van circa 60 miljoen dollar denkt Spyker F1 volgend seizoen al winst te maken. Met meer inkomsten uit tv-gelden (18 miljoen dollar), 28 miljoen dollar van test- en vaste coureurs en 16 miljoen dollar aan sponsorbijdragen, denkt Spyker meteen zwarte cijfers te schrijven. Het nieuwe team krijgt als doelstelling een plaats bij de beste zes à zeven renstallen in het constructeursklassement. Die doelstelling is volgens Muller haalbaar, omdat de regels in de Formule 1 weldra zodanig veranderen dat de ‘wapenwedloop’ niet langer meer is gericht op geld, maar op een efficiënte bedrijfsvoering.

De komst van Mike Gascoyne als Chief Technology Officer, die in het verleden bij Jordan met bescheiden middelen aansprekende prestaties leverde, is daarom van groot belang. De topontwerper Gascoyne, die de bijnaam The Bulldog heeft verworven, heeft een bijzondere beloningsvorm bedongen. Hoe hoger Spyker eindigt in het constructeursklassement, hoe meer het team krijgt uit de ruif van circa 500 miljoen euro aan tv-gelden. Gascoyne profiteert daarvan mee.

De financiële analisten van Fortis Bank hebben alle vertrouwen in de bedrijfsopzet. Ook zij verwachten dat Spyker komend jaar voor het eerst winst zal boeken. De beurskoers (nu 17,90) kan de komende jaren doorgroeien naar 34 euro, aldus Fortis. Dat wil zeggen: als de Spyker-bolides succes hebben op de circuits.

Bron: Algemeen Dagblad